Werken – Omdat het moet

Hoe motiveer je mensen optimaal?

Het onderwerp van dit artikel verdient eigenlijk een boek. Misschien bestaat het allang, mogelijk zelfs meerdere geschreven door goede schrijvers in diverse landen. Want dit onderwerp is essentieel voor de huidige maatschappij. Mondiaal. Het zou de leidraad moeten worden van elke economie van een land. ‘Hoe houd je de molen optimaal draaiende.’ Want het gaat niet goed in veel landen. Ook niet in Nederland.
Zelf ben ik daar eigenlijk ook mijn hele leven al mee bezig. Met de vraag “Waarom werk ik?” en “Wat wil ik nou eigenlijk graag doen?” Maar ja… Retorische vraag… Iedereen ‘moet’ toch werken? Dat is toch ‘normaal’? Als je brood op de plank wil?
Primair is het antwoord dus simpel. Iedereen werkt omdat het moet. Maar gaat dit dus daarom altijd goed? Of wordt er vaak niet ‘goed’ gewerkt omdat niet alle mensen optimaal gemotiveerd zijn? En steken laten vallen omdat ze ‘er even niet bij waren’? Of worden mensen zelfs ontevreden en zelfs depressief omdat ze werk doen wat ze eigenlijk helemaal niet ligt? Waardoor ze er zelfs ziek van kunnen worden? Overwerkt, burn-out… Zoveel arbeidsgerelateerde ziektes… En dan wordt er eigenlijk nog niet eens aandacht besteed aan het mentale welzijn van veel werknemers. Als het werk acceptabel wordt verricht, boeit het niemand of mensen zich rot voelen in hun dagelijkse arbeid.
Dit is een zeer complexe materie. Maar ik heb geen geduld voor een boek. Het wordt wel een groot artikel, noem het maar een essay.
Dit artikel wordt voor de eerste keer een opsomming van de banen die ik in mijn leven heb gehad.
Als voorbeelden vanuit mezelf (weer als ‘ervaringsdeskundige’!) maar met een duidelijke boodschap. Want ik ben géén klager! Ik overzie alles wat ik heb gedaan in combinatie met mijn omgeving en het algemene belang. Het beleid bij werkgevers. Hoe mensen daarmee om kunnen en willen gaan. Ook collega’s. En vele andere mensen die ik heb gezien en waarvan ik heb geleerd en ik denk nu wel te begrijpen hoe het ‘draait’. Mondiaal. En dat vind ik niet altijd positief.

Van opleiding naar werk

Om mijn weg naar een succesvolle carrière (kuch) goed te kunnen begrijpen, moet ik uiteraard beginnen met mijn vooropleiding(en). Dat bepaalt toch meestal een groot deel van je kansen op de arbeidsmarkt.
Welnu, na de HAVO in 6 jaar goed voltooid te hebben (1 keer blijven zitten), gaan de meeste mensen door met een vervolgstudie. Want alleen HAVO is natuurlijk te ‘Algemeen’ en dan kan je nog niks. Maar ik wist eigenlijk op mijn 18e nog niet echt wat ik zou willen gaan doen…
Best wel veel mensen van mijn HAVO-lichting gingen naar de ‘Pedagogische Academie’ (vroeger ‘kweekschool’, tegenwoordig ‘Pabo’) en het vak van ‘onderwijzer’ leek me ook wel wat. Geen saai kantoorbaantje en je kunt daar veel van je (creatieve) talenten in kwijt. En het leek me op dat moment nog wel leuk om met kinderen om te gaan.

Voor ik daarheen ging, kwam er echter nog iets op mijn pad: een vacature bij mijn plaatselijke elektronica- en platenhandel ‘Van Gent’. Naast de hoofdvestiging in het Dordtse stadscentrum hadden ze nu ook een filiaal in mijn wijk winkelcentrum Sterrenburg en daar zochten ze een verkoper in de platenhoek! En in die tijd was ik gek op muziek, platen en ik was juist druk met het ontwikkelen van mijn grootste hobby als discjockey! Platenverkoper voelde voor mij ideaal aan!
En ik solliciteerde, ondanks mijn aanmelding voor de ‘PA’.
De directeur van firma Van Gent was toen nog de oprichter zelf: de oude heer Van Gent. En vroeger de ‘baas’ van de eerste man van mijn moeder! Die ook bij Van Gent had gewerkt. Hij kende mijn moeder dus. En in eerste instantie wilde hij me graag aannemen voor de baan, ook gezien mijn afgeronde HAVO. De opleidingseisen voor winkelpersoneel waren destijds nog niet zo hoog en er werd meer waarde gehecht aan lerend werken. Tegenwoordig nog zeldzaam…
Toen ik echter vertelde dat ik ook eventueel kon starten met de onderwijzersopleiding, adviseerde hij mij om dat te doen! En daarom nam hij me niet aan. Hij zag meer toekomst in de opleiding die een ‘echt goede baan’ zou opleveren als onderwijzer! Daar sprak de ervaren ‘carrièretijger’…
Ik was teleurgesteld want in mijn hart ging ik liever platen verkopen dan weer naar school…
En dat liep dan ook niet goed af.

In het eerste jaar bij Merwerode, de Christelijke PA in Dordrecht, had ik het moeilijk.
Theoretisch was het geen probleem maar praktisch lag het me niet. Je ging direct al elke week 1 dag naar een ‘lagere school’ als ‘kwekeling’ om in de praktijk te leren hoe het is om met kinderen te werken. Hoewel ik dat op zich wel leuk vond… Ik had het er erg moeilijk mee.
Ik kon mezelf geen goede houding geven als ik eens voor de klas stond en straalde geen enkele autoriteit uit. In een bepaalde klas (ik ben in twee scholen geweest) werd ik bewust zo gepest door de hele klas dat ik een keer het lokaal uit rende toen de juffrouw even weg was.
Toen ik zag dat ik dit toch niet wilde, besloot ik te stoppen.
En omdat ik uitstel van de toen nog verplichte Militaire Dienst had gekregen vanwege mijn opleiding, besloot ik dit nu eerst af te werken, zodat ik me daarna opnieuw zou kunnen bezinnen over werken…

Aan de slag (?)

Na de Militaire Dienst kreeg ik een werkloosheidsuitkering omdat je diensttijd gewoon als werktijd geldt. Dus in principe zat ik nog niet zonder geld en ik ging ‘hoopvol’ zoeken naar een baan.
Maar dat viel toen al tegen…
Ik was dan inmiddels ‘al’ 20 jaar. Voor een ‘schoolverlater’ al aan de oude kant, maar feitelijk had ik niets dan alleen mijn HAVO-diploma. En dat bleek toen al weinig waard, zonder vervolgopleiding. Dan moest je ook al geluk hebben om ergens in te kunnen stromen.

Ik solliciteerde best veel maar kreeg niet snel ergens een kans. Wel kon ik eenvoudige baantjes krijgen waarvoor eigenlijk geen opleiding vereist was…
Zo heb ik ook van alles geprobeerd:
Lopendebandwerk bij een groothandel in koffieautomaten en ingrediënten: Daar werden onder meer plastic flessen gevuld met koffiepoeder of melkpoeder voor in de automaten.
Ik hield het daar 1 week uit, tot ik van de stress de band enkele keren had laten vastlopen. Toen kon ik vertrekken…
Medewerker benzinestation in Wielwijk (voor ingewijden: het bekende station bij het kruispunt met de Laan der Verenigde Naties): Voornamelijk aan de kassa en dat ging goed, tot de eerste de beste zaterdag toen het echt druk werd. Ik had iemand die (expres) een fout pompnummer had gegeven geholpen, toen de juiste persoon van die pomp kwam… Een collega kon de snoodaard net op tijd nog tegenhouden (was een veel lager bedrag dan wat hij getankt had). Zijn commentaar: “Dan moet ie (ik dus) maar beter opletten.” Na die dag kon ik ook weer vertrekken.
Magazijnwerk in een groothandel voor papieren en plastic party-goederen, zoals papieren tafelkleden, servetten, plastic bestek, etc. Voor feesten bij voornamelijk bedrijven die de hele boel liefst weggooien na afloop. Dit was leuk! Want rustig werk met een klein team en dozen sjouwen in en uit de schappen… Maar zo lichte dozen want papier en plastic… Dit had ik wel een poosje vol kunnen houden. Maar ik was daar tijdelijk vanwege ziekte van een medewerker. Dus ook dit was na enige weken afgelopen.

Verder heb ik nog kranten bezorgd en heb nog wel wat dingen geprobeerd maar langzaam maar zeker werd ik nu toch een ‘langdurig werkloze’ en het einde van mijn uitkering kwam in zicht.
‘Gelukkig’ waren er toen veel (jongere) werklozen en de regering had dankzij Joop den Uyl regelingen bedacht om hen sneller aan het werk te krijgen: de WvM (Werk verruimende Maatregel). Via het Arbeidsbureau kwam ik in aanmerking voor die regeling en kon zowaar bij dat Arbeidsbureau zelf aan de slag als (administratief) medewerker voor maximaal 1 jaar!
Het was daar een heel gezellige club mensen, die uiteraard allemaal een goed doel hadden om mensen actief te helpen aan werk. Dat mis ik tegenwoordig wel…
Behalve diverse administratieve klusjes heb ik zelfs een paar keer met klanten mogen praten om eenvoudige zaken door te nemen voor de werkelijke bemiddelaar. Zo had ik daar eigenlijk mijn eerste klantcontact als ‘serviceverlener’. En dat vond ik wel leuk!
Maar toen werd het menens. Ik zou toch een keer ‘echt’ aan het werk moeten in een vaste baan.
Nu ik zo dicht bij het vuur zat en (komende) vacatures in het Arbeidsbureau vanuit de eerste hand zag, kon ik voor het jaar om was in aanmerking komen voor een (wederom) administratieve functie bij het plaatselijke energiebedrijf, toen nog GEB (Gemeentelijk EnergieBedrijf). Op de ‘Kleinverbruiksadministratie’. Grotendeels het doorvoeren van mutaties van de vele huisadressen na verhuizingen, technische veranderingen (andere meters) en dergelijke.
Maar: we waren ook telefonisch bereikbaar voor de klanten in Dordrecht en omgeving voor vragen over hun energierekening. Wat elke maand na het versturen van een deel rekeningen even een topdrukte was, want mensen die opeens moesten bijbetalen en waarvan het voorschot opeens verhoogd werd, hingen soms boos aan de lijn. Die dagen waren het leukst. Mensen spreken aan de telefoon en uitleggen waarom alles zo en zo in elkaar zat.
Dat waren echter maar een paar dagen in de maand en de rest werd steeds saaier…

Toen ik na bijna 3 jaar een interne vacature zag van ‘Operator Automatisering’ heb ik gelijk gesolliciteerd.
Inmiddels waren computers steeds belangrijker geworden op de meeste werkplekken en hoewel we toen nog op simpele ‘terminals’ werkten, verbonden aan een mainframe (de PC was nog maar net in ontwikkeling), was ik wel echt geïnteresseerd geraakt in computers. Thuis had ik al een Atari home-computer, met voornamelijk veel spelletjes maar ook al serieuze programma’s.

Eerste ‘thuiscomputer’: Atari 800XL

Tijdens de sollicitatieprocedure zag men echter dat ik een goed cijfer had voor wiskunde op mijn HAVO diploma en toen boden ze me iets anders aan:
Juist in die tijd had het energiebedrijf een heel eigen ‘rekencentrum’ opgebouwd, waarin behalve het mainframe voor de eigen automatisering ook al services werden verleend aan externe bedrijven, veelal in de non-profit sector. Er was snel meer capaciteit nodig van programmeurs/systeemanalisten om nieuwe programma’s te maken en onderhouden. Daar hadden ze 6 vacatures voor open staan, terwijl ze maar 1 operator nodig hadden. Voor die functie moest ik echter wel (verplicht) het zogenaamde AMBI-diploma gaan behalen. Dat betekende de basis voor een systeemanalist; 7 modules vanaf de beginselen van de ICT tot het hogere analysewerk. Pittig maar daar tegenover zou een flink beter salaris staan met alleen maar groeimogelijkheden. Poehee… Dat trok me wel aan. Of ik het leuk zou vinden… Had ik niet zo over nagedacht. Maar de verleiding van de ‘betere carrière’ trok me weer over de streep!
Ik ging de eerste maanden in het voornamelijk nieuwe gezelschap (ik was de enige interne) in groepsverband studeren voor de eerste 2 modules voor AMBI: I(Informatica) 1 en 2.
Op deze manier was dat niet zo moeilijk. Toen die behaald waren, moest ik de 3e module (B1 – Bestandsorganisatie) thuis doen en ging ik aan het werk als programmeur in een bepaald team wat specifiek op de salaris-software was gericht.
Ook dit heb ik 3 jaar volgehouden… Die 3 jaar blijken achteraf een terugkerend gegeven…
Die ene module B1 kreeg ik niet onder de knie. Voor het examen was ik al twee keer gezakt en ik kreeg van de leiding nog één kans het met extra begeleiding een derde keer te proberen. Daarvoor moest ik op training naar Utrecht… Werd wel allemaal vergoed.
Maar ook de derde keer mislukte en toen begon men aan mij te twijfelen.
In diezelfde tijd begon mijn radio-hobby serieuzer te worden want ik was juist aangesloten bij de nog maar kort gestarte lokale omroep van Dordrecht, de TROM. In het begin was ik ook af en toe op TV te zien geweest. De personeelschef van de afdeling, die inmiddels een min of meer commerciële businessunit van het energiebedrijf was geworden, dacht dat ik meer tijd aan mijn hobby’s besteedde dan aan mijn studie. Gezien mijn opleiding dacht hij niet dat ik het niet zou kunnen maar dat ik er ‘gewoon geen zin in had’. Uiteraard was een conflict het gevolg.

Thuis studeren was nooit mijn ding geweest. Ik mis de concentratie en had in dit geval de grootste moeite met de absoluut saaie lesstof, die op geen enkele manier aansloot bij mijn praktische werkzaamheden.
Ik had ontdekt dat de meeste werkzaamheden gewoon goed gingen omdat ik het deed. In de praktijk leerde ik het beste.
Maar dat was voor de leiding niet voldoende. Als programmeur functioneerde ik ook niet optimaal en om systeemanalist te worden moest ik toch echt eerst al die 7 modules behalen voor het juiste niveau. Een beetje ‘proberen’ kon niet.
Het programmeren was me na bijna 3 jaar inderdaad gaan tegenstaan en ik ging steeds meer fouten maken. (Ik zat teveel in mijn hoofd…)
Het was saai en je zit letterlijk 8 uur achter een terminal alleen maar in codes te werken. Ik noemde het soms gekscherend ‘bitneuken’… Ik wilde graag iets anders.
Het toeval wilde dat toen net een operator vertrok en ik stelde voor om dat te mogen doen.
Dat was per slot de functie waar ik 3 jaar geleden naar solliciteerde!
Ze vonden het wat vreemd maar als ik dat echt wilde, dan kon ik die kans wel krijgen.
Het leuke was dat ze mijn salaris niet konden verlagen bij een interne switch. En dat was van een programmeur een stuk hoger dan van een operator. Wat uiteindelijk wel weer wat kwaad bloed zette bij enkele collega-operators… Zeker omdat ik nu ook weer niet zo’n grandioze operator bleek te worden.

Een operator (computer/mainframe) bedient zogezegd de grote mainframe-computer door de consoles in de gaten te houden op meldingen, data-cartridges insteekt indien gevraagd en deze organiseert. Daarnaast bedient die de grote bulkprinters door nieuw papier in te zetten en geprinte stapels eruit te halen en af te leveren bij de de groep die dit weer verwerkt.
Omdat dit werk feitelijk altijd doordraait, werd er ook in de avonden gewerkt. Ik ging in 3 ploegen werken: vroege dienst (7.00 – 15.00), late dienst (14.00 – 22.00) en dagdienst (8.00 – 16.30).
En na de maandafrekeningen was er altijd extra veel printwerk, waardoor er vaak werd overgewerkt tot wel in de kleine uurtjes…
Door mijn hogere schaal (basissalaris) verdiende ik in deze jaren naar verhouding best wel veel.
Maar het werk was natuurlijk niet zo spannend… Erg routinematig en soms zwaar.
Ook hadden we een speciale ‘inpakstraat’ waarmee alle energienota’s maandelijks werden ingepakt. Van pak printwerk tot dichtgeplakte envelop dus. Dat moesten de operators ook bij toerbeurt doen in de dagdienst. Dit vond ik vreselijk want het leek weer op dat ‘lopendebandwerk’ waar ik jaren eerder op was afgeknapt… Als het goed ging, ging het goed. Maar bij storingen ging ik soms over de rooie. Letterlijk. En dan trapte ik soms van frustratie wat (lege) dozen in elkaar en gilde ik de boel aan elkaar…
Mijn teamchef zei dan dat het helemaal niet moeilijk was. Hij was er een meester in en zei dat je gewoon een ‘handige fietsenmaker’ moest worden om dit te kunnen doen.
Tja… Dat was ik ook niet. Kon een band plakken maar dan had ik het wel gehad… 😛
Ik had in die tijd regelmatig woorden met de leiding maar werd vooralsnog gedoogd.
Mijn directe chef was gelukkig nog redelijk begripvol. De grote afdelingschef echter niet en zag een trend bij mijn werkzaamheden: als programmeur functioneerde ik slecht en nu als operator weer.
Eigenlijk wilde hij het liefst van me af maar de CAO van het energiebedrijf liet dat gelukkig niet zo makkelijk toe.
De redding kwam toen er eindelijk werd gestart met het PC-netwerk: de oude terminals werden langzaam vervangen door PC’s, aangesloten op het netwerk.
En daar hadden ze een soort van ‘helpdesk’ voor nodig. In eerste instantie werden dat de operators, die afwisselend de (toen nog) eenvoudige incidentregistratie gingen doen.
Dat moest uiteraard veel professioneler en uiteindelijk was de aparte helpdesk een feit en ik ging daar naar toe. Dat was gewoon in kantoortijden telefoontjes aannemen en in het begin ook storingen op de werkplekken verhelpen. Toen had ik het (even) naar mijn zin!
Tot het grote Eneco meer ging centraliseren. We werkten enkele jaren alleen voor ons eigen kantoor en enkele buitenkantoren, waar ik ook wel naar toe ging met de bedrijfsauto.
Nu werden we als helpdesk samengevoegd met Eneco Rotterdam. En de telefonische helpdesk werd een callcenter dat het hele gebied van Gorinchem, Dordrecht tot Hoek van Holland bestreek…
En de wat meer technische mensen gingen uitsluitend de storingen doen. Ik was niet technisch genoeg…
Dat callcenter was soms een ramp. In het begin was het nog niet goed geregeld met de afhandeling van pieken bij grote storingen en werden slechts enkele dienstdoende mensen overstelpt met telefoontjes en ontstonden er grote rijen wachtenden, die wel gemonitord werden. We werden door de afdelingschef soms uitgescholden of we de telefoontjes wel snel genoeg afhandelden want dit mocht zo niet doorgaan. Ik werd gek van de stress.
Toen er een keer iets heel raars gebeurde met mijn partner (wat achteraf mogelijk op de ziekte die ze zou krijgen zou kunnen wijzen) heb ik twee weken depressief thuis gezeten. Dat werd op het werk niet gewaardeerd. Mijn positie werd weer wankel.
Omdat er sprake van was dat de hele automatisering zou gaan verhuizen naar Eindhoven (!) omdat de businessunit niet meer goed bleek te functioneren (oh echt… 😛 ) en overgenomen werd door het grote ICT-bedrijf ATOS/Origin, zocht ik naar een uitweg. Want ik wilde niet naar Eindhoven! En zeker niet naar een groot commercieel bedrijf waar ik nog minder op mijn plaats zou voelen.
En ik vond een nieuwe baan bij het plaatselijke ziekenhuis, toen nog niet samengevoegd: het Refaja Ziekenhuis. Ze waren daar al bezig met samenvoeging met de andere locaties (Dordwijk en Zwijndrecht) om later op te gaan in het Albert Schweitzer Ziekenhuis. De ICT werd daarom alvast uitgebreid met wat meer helpdesk-medewerkers en daar werd ik aangenomen, mede natuurlijk dankzij mijn ervaring bij het energiebedrijf.
Ik werd daar samen met een Rotterdamse Eneco-collega aangenomen om vooral die ervaring in de groep te brengen. Onder goede financiële voorwaarden zodat ik er niet veel op achteruit ging. Dit zou later dan weer onderwerp van discussie binnen de leiding worden…

Toch heb ik hier vele maanden met plezier gewerkt. Ik had telefoondienst en deed storingsdiensten, ook naar de andere ziekenhuizen. Heel afwisselend.
Of we echt zoveel beter waren dan de al zittende collega’s… Die kenden namelijk het ziekenhuis natuurlijk veel beter en ook de draaiende systemen.
Daarnaast werd het beleid van de afdelingschef in twijfel getrokken door het hogere management, wat op een moment zorgde voor een gedwongen vertrek van deze fijne chef…
Toen kwamen er ‘nieuwe bezems’ de boel schoonvegen. En na het eerste jaar, dat ons contract zeker verlengd zou worden naar een dienstverband van onbepaalde tijd (belofte van de oude chef en personeelsmedewerker), werden onze contracten gewoon niet verlengd. Van die belofte wist natuurlijk niemand iets meer. We moesten weg.
Zowel die collega als ik wisten het wel: we waren gewoon te duur. De (nieuwe) basis salarisschalen lagen lager dan wat wij kregen. Dus…

Gelukkig waren de tijden in de ICT op dat moment nog gunstig en voordat ik daadwerkelijk weg moest had ik alweer een nieuwe baan gevonden: als ‘netwerkbeheerder’ bij de Gemeente Alblasserdam. Buiten Dordrecht dus, maar met de auto een kwartiertje rijden.
Daar had ik primair het ‘beheer’ over de PC-netwerkservers maar was voornamelijk ook het eerste aanspreekpunt voor alle medewerkers van de kleine Gemeente (ruim 100 mensen, met de buitenposten erbij, zoals de brandweer en plantsoenendienst). Klanten waren heel divers: van de burgemeester van Alblasserdam, de wethouders, tot dus de brandweer en plantsoenendienst die ook 1 PC hadden staan, aangesloten op het netwerk. Heerlijk om met zoveel verschillende mensen te mogen werken! Ik deed dat niet alleen maar met 1 collega die primair het AS400-systeem in beheer had maar feitelijk deden we gewoon alles samen. Zeker de eerste jaren heb ik het daar erg naar mijn zin gehad en uiteraard was het salaris daar weer een stukje hoger dan het laatste bij het ziekenhuis.
En ik was weer ambtenaar. 😉

De kentering kwam toen de afdelingschef, tevens chef personeelszaken, weg ging (moest?). Het was een vrouw waarmee ik prima kon opschieten. Haar vervanger was een al aanwezige personeelsmedewerker die ook wel wat interesse had in ICT… Maar hij was een stuk dominanter en ging vooral het beleid aanscherpen. Want het moest beter, efficiënter en als het kan natuurlijk… goedkoper. Hoewel de eerste contacten goed leken te gaan, ging hij zich toch ook steeds vaker bemoeien met mijn werk. En toen ik thuis steeds grotere problemen kreeg met mijn partner, die steeds meer aandacht ging eisen (waardoor ik zelfs een paar keer plotseling naar huis moest om te helpen), ging hij twijfelen of ik wel voldoende aandacht behield voor mijn werk.
Het ging toen allemaal nog goed maar ook daar liepen de spanningen op.
Toen kwam het elders beschreven grote incident met mijn aanhouding door de politie.
Bij de Gemeente Alblasserdam was het toen acuut afgelopen.
Gevolg: 9 maanden werkloos met slechts een bijstandsuitkering voor het gezin…

Na die 9 maanden kreeg ik via een detacheringsbureau waar ik me had aangemeld een klus voor minimaal 1 jaar als helpdeskmedewerker bij het UWV, wat op dat moment nog in Dordrecht gevestigd was. Er waren wat mensen langdurig uitgevallen en daarom hadden ze twee invalkrachten nodig. Het was uitsluitend telefoondienst maar het was een leuke club collega’s en ook met de afdelingschef kon ik goed overweg. Geen slechte tijd gehad. Maar ik bleef natuurlijk wel op zoek naar vast werk…

Nog voor het jaar om was bij het UWV kreeg ik via een oud-collega van het Albert Schweitzer Ziekenhuis een tip dat een helpdesk-medewerker vertrok. En hij deed een goed woordje voor me bij zijn groepschef, en dat hij vroeger door mij zo goed was geholpen toen hij daar voor het eerst kwam werken.
Ik werd aangenomen en ik had weer een vaste baan. Na 3 maanden proeftijd uiteraard maar ik was het kunstje nog niet verleerd. 😉
Het salaris was natuurlijk een stuk lager dan wat ik gewend was, maar uiteraard veel beter dan de bijstand en ik kon weer even op adem komen.
Hier kreeg ik weer de vertrouwde diensten: telefoondienst, storingsdienst (ook weer naar de andere locaties) en een zogenoemde ‘operatingdienst’ waarin je liggende klussen moest opknappen zoals installaties van aparte software op PC’s, verwerken en installeren van nieuwe apparatuur in het magazijn en soms meelopen met de storingsdienst als die een ‘zware’ klus had.
Weer heel afwisselend dus. Ook had ik direct op toerbeurt ‘bereikbaarheidsdienst’ waarin ik thuis buiten werktijden (ook ‘s nachts) gebeld kon worden door ziekenhuismedewerkers met een acute storing. Dan kon ik meestal op afstand hulp verlenen maar moest ook soms gewoon naar het ziekenhuis. Ik vond dit nooit belastend.

In de loop van de tijd had ik bij mijn groepschef wel aangegeven dat met name de storingsdiensten af en toe wel wat zwaarder werden. Ik was al nooit zo lenig en het regelmatig op mijn knieën onder bureaus moeten kruipen om kabels aan te sluiten en zo, werd steeds zwaarder.
Het toeval wilde dat een medewerker van de andere groep die onder hem viel – het Planbureau – zou gaan vertrekken. Hij kon mij daar wel een aantal dagen in de week (fulltime was nog niet nodig) gebruiken. Op dat Planbureau werden alle afspraken met klanten geregeld voor de plaatsing van nieuwe apparatuur, vervanging van verouderde apparatuur, het onderhoud van apparaten verzorgd door externen en de aanschaf van nieuwe computerapparatuur werd hier gedaan. Contacten met klanten dus (meestal afdelingschefs) en met leveranciers. Het was dan wel bureauwerk maar ik vond dit zeker niet saai. Daarnaast zat ik in een groep met voornamelijk vrouwen… Soms heel leuk, soms wat minder… Maar weer eens wat anders dan de mannenwereld van de helpdesk. 😉
Dit bleef dus echter parttime en ik werkte ook nog gewoon regelmatig in de telefoondienst en behield de bereikbaarheidsdienst. Alleen de storingsdienst was ik kwijt.

Ik had hier misschien nog steeds kunnen werken… Als er echter geen forse bezuinigingen moesten worden gedaan in het hele ziekenhuis maar in het bijzonder bij de facilitaire afdelingen, zoals de ICT. Er werden op korte termijn chefs vervangen en weer vervangen… Want de bezem moest er weer doorheen. Waar had ik dat eerder meegemaakt? Oh wacht… Albert Schweitzer Ziekenhuis Deel 1… En dan durven mensen nu echt te beweren dat de zorg nooit door bezuiniging onder druk is gezet… Bullshit. Ik heb dat daar meerdere malen meegemaakt. En vooral de mensen op de werkvloer, die direct patiënten moeten helpen, merken daarvan de gevolgen. Niet het management… Die mensen vieren steeds weer feest na hun nieuwe successen en betere cijfers…
Het directe gevolg voor mij was: het Planbureau hield op te bestaan. De bestaande taken zouden goed verdeeld kunnen worden door verdergaande automatisering, verschuiven naar de Helpdesk, inschakelen van externe leveranciers die bepaalde taken zelf doen en door slechts een paar mensen te behouden voor de (controle op de) planning.
Wat toen is gebeurd – ik blijf dit zeggen – is naar mijn mening fout geweest en illegaal.
Volgens contract was ik al die jaren gewoon ‘medewerker helpdesk’. Mijn parttime taken bij het Planbureau hebben dit nooit veranderd. Ik ging er daarom gewoon vanuit dat ik na het stoppen van het Planbureau weer gewoon 100% bij de Helpdesk zou gaan werken. Mogelijk inclusief storingsdienst dan weer maar dat vond ik een bijzaak. Ik voelde me nog goed in die tijd.
Maar wat schetste mijn verbazing dat ik net als mijn collega’s van het Planbureau op de lijst vertrekkend personeel was gezet! Overigens net als nog een aantal ICT-medewerkers van andere groepen, die zogenaamd ‘overbodig’ waren geworden. Het was een groep van ongeveer 12 mensen.
Maar dat ik daar ook tussen zat…
Mijn cheffin was echter resoluut: ik werkte inmiddels meer uren bij het Planbureau dan bij de helpdesk en was derhalve geen medewerker helpdesk meer.
Toevallig wilde ze daar nu wel een paar extra medewerkers aantrekken omdat er dus wat taken verschoven en de groep daar had aangegeven dat er niet zomaar bij te kunnen hebben.
Mijn verweer dat juist mijn ervaring bij het Planbureau ideaal zou zijn binnen de helpdesk, werd van tafel geveegd. Ik mocht wel solliciteren op de functie. En interne kandidaten zouden wel de voorkeur hebben. Ja ja. Dit werd dus een drama. De cheffin vond mij in het sollicitatiegesprek erg negatief overkomen en dat zou de groep niet ten gunste komen. Ik werd afgewezen.
Dat ik juist in die tijd (2011) in hoogspanning thuis verkeerde omdat de ziekte van mijn partner uit de hand ging lopen en ik zelf inderdaad op instorten stond, is nooit erkend.
Dit had nooit mogen gebeuren.

Voor alle vertrekkende mensen was er wel een half jaar durend ‘outplacementstraject’ uitgezet. Met zogenaamd goede begeleiding om een ‘functie elders’ te vinden, trainingen en binnen het ziekenhuis tijdelijke ad hoc ervaringsklusjes op andere afdelingen. Soort van interne stages om daar extern wat aan te hebben… Klinkt goed maar een half jaar is zo voorbij. En ik zag in alles wat ik deed niets wat me echt verder zou kunnen helpen…

Toen ik een interne vacature langs zag komen van ‘Medewerker Centraal Archief’ heb ik daarop gesolliciteerd. Inhoudelijk stelde dit weinig voor. Alle patiëntendossiers werden toen nog op papier in mappen bewaard in de grote kelder van het ziekenhuis. Uiteraard vele duizenden. Dossiers moesten soms naar afdelingen (als de patiënt langs kwam), moesten ook weer opgeborgen worden en nieuwe bijlagen moesten soms aan dossiers worden toegevoegd. Voornamelijk simpel werk. Dus… ging ik er al heel snel weer met mijn hoofd in zitten. Vooral ook vanwege de hoog opgelopen spanningen thuis. Ik dronk toen al te vaak en soms zelfs een beetje tijdens het werk. Dit is een keer geroken… Toen ben ik daarmee gestopt.
Maar ook de sfeer op de afdeling was bizar. Vooroorlogs. Tegen alle hedendaagse omgangsnormen in naar mijn mening, maar de dominante cheffin mocht haar gang gaan…
Als ik tijdens werktijd wel eens mijn Gmail-scherm open had staan en zeldzaam een mailtje beantwoordde werd ik op het matje geroepen. Dat mocht niet. Toen ik vertelde van de spanningen thuis, werd ze iets milder. Maar ze wilde dat dus wel weten.
Iedereen werd in de gaten gehouden alsof het kinderen waren die uit waren op kattenkwaad.
Aan het eind van de werkdag mocht niemand vertrekken als het tijd was… Tot zij de sleutel van de deur had dichtgedraaid en we allemaal tegelijk weg gingen. Wie zogenaamd haast had, kreeg het later te horen. Nog nooit zoiets meegemaakt. De sfeer was voor mij absoluut onwerkbaar. En ik ging daarom ook steeds meer fouten maken. Dossiers die ik niet meer kon vinden maar mijn collega’s wel. Fouten met terughangen… Ze zochten precies uit wat ik had gedaan.
En op een dag kwam de hele afdeling (collega’s dus!) tegen me op dat ik bewust de boel saboteerde, de kantjes eraf liep waar iedereen last van had want mijn werk moest afmaken en absoluut niet collegiaal was. Ik ontplofte. Na die dag ben ik weg gegaan en nooit meer terug gekomen.
Ik heb me ziek gemeld want was echt in een grote depressie geraakt.

Na een aantal weken thuis zitten moest ik op komen draven voor enkele gesprekken, mede geïnitieerd door de bedrijfsarts, omdat terugkeren in die zelfde functie bij het Archief een probleem zou worden. Dat wilden we niet van beide kanten, hoewel de schuld van alles natuurlijk wel bij mij werd neergelegd. Maar dat maakte geen verschil.
Omdat ik dat eerder gestarte ‘outplacementstraject’ nooit volledig had afgerond omdat ik tussentijds bij het Archief ging werken, werd dit nu alsnog afgerond en langzaam opbouwend mocht ik de laatste paar maanden die ik tegoed had ‘uitzitten’ bij mijn oude afdeling de ICT… De cheffin die me feitelijk had ‘ontslagen’, zag even geen andere tijdelijke klussen meer in de organisatie en dan had ze nog wel een paar klusjes op mijn oude afdeling… Iedereen keek ervan op dat ik dit kon. Na alles wat was gebeurd gewoon daar weer verschijnen… Maar daar voelde ik me op zich op mijn gemak tussen alle oude collega’s van de afdeling en had uiteraard voldoende affiniteit met het werk om daar nog wat te kunnen doen.
Daarnaast was eind 2012 de rust thuis hersteld toen mijn partner gedwongen was opgenomen. Ik was in alle opzichten herstellende.
Maar medio 2013 was het dan toch echt afgelopen en zat de periode erop.
Ik stond in juli definitief op straat en heb daarna nooit meer gewerkt.

De rest zal bekend zijn uit eerdere artikelen, maar dit was dan een (uitgebreid) overzicht van mijn hele werk-carrière op een rij.
Dit heeft mij wel een paar dingen geleerd. De belangrijkste constateringen:

Nooit ergens 100% geaard

Ik schreef al eerder: die (ongeveer) 3 jaar kwamen steeds terug. 3 jaar gewerkt bij de ‘Kleinverbruiksadminstratie’, 3 jaar programmeur, 3 jaar operator tot de helpdesk daar ontstond, en weer bijna 3 jaar helpdesk. Daarna waren het wat andere periodes maar 100% stabiel en het gevoel dat ik dus volledig was geaard en helemaal op mijn plek zat, heb ik nooit gehad.
Feitelijk waren al mijn banen… werk. Geen uitdagingen aangegaan omdat ik daar een goed gevoel bij had. Ik kon het meestal… Maar daar hield het wel mee op.
Natuurlijk vond ik heel veel aspecten van voornamelijk de brede helpdeskfunctie heus wel leuk werk. Ik hield van praten met mensen aan de telefoon of hen bezoeken in de storingsdienst.
Maar de ICT zat nooit zo diep in mijn hart dat ik daar warm van werd…
Met het verstrijken van de tijd kreeg ik ook steeds meer afkeer van de vernieuwingen. Ik hield het allemaal niet goed meer bij en na het stoppen met werken heb ik nooit meer zin gehad (ook niet thuis) in het oplossen van problemen. Ik ben 100% afgekickt. Kom bij mij niet meer met vragen over je computer…
Was ik dan altijd een ICT-er met hart? Nee, ik deed het omdat ik het kon en een baan moest hebben.

In heel mijn leven ben ik nooit meer warm gelopen om een bepaald soort werk te gaan doen.
Het was voor mij altijd een soort ‘noodzakelijk kwaad’ om eerst mijn hobby’s te kunnen blijven doen (radiostudio, fotostudio), auto te kunnen blijven rijden en een lekker biertje te kunnen drinken… En later uiteraard om mijn gezin te onderhouden en alles wat daarbij kwam kijken, inclusief de soms te kostbare vakanties naar Kroatië. Maar dat hebben we wel allemaal gedaan.
Omdat ik altijd aan het werk bleef. Ondanks alles.
Dat was mijn motivatie. Meer niet.
Maar geldt dit feitelijk niet voor verreweg de meeste werknemers? Overal ter wereld? Werken omdat het moet; brood op de plank en (in rijkere landen) zo veel mogelijk leuke dingen kunnen doen? Is dat meestal niet de enige motivatie?
Ik heb ontdekt dat dit de reden is dat er ondanks de moderne, technologisch snel ontwikkelde maatschappij toch heel veel fout gaat en steeds meer onvrede heerst.
De mens is veranderd. De rek is uit de consumptiemaatschappij. Mensen hebben weer (nieuwe) bezieling nodig.
Maar nu filosofeer ik misschien iets te ver… Even terug naar mezelf.

Motivatie

Motivatie voor een baan is natuurlijk van het eerste belang. En iedereen kan op zijn vingers uittellen dat de standaard vraag tijdens een sollicitatiegesprek – “Wat is uw motivatie voor deze baan?” – altijd ‘extreem’ positief wordt beantwoord want iedereen weet dat ze dit willen horen.
Wat zouden ze doen als je eerlijk zou zeggen dat je het werk wel aankunt maar het primair doet voor het salaris?
Toch denk ik dat veel mensen hierover gewoon liegen. Natuurlijk solliciteren ze niet op een baan die ze bij voorbaat verschrikkelijk vinden en ze zullen zich er best een goede draai in kunnen geven maar werkelijk volledig vanuit hun hart? Zeldzaam. Toch zou dit wel moeten.
Een mens functioneert optimaal als hij de dingen kan doen die hij (ziels-) graag wil. Wat de motivatie ook is: het moet voorop staan dat je dat werk gewoon echt graag wil doen. Niet voornamelijk voor het (goede) salaris.
Dit wordt volledig onderschat en meestal genegeerd, vooral door de instituten UWV en Sociale Dienst. Die gaat het er alleen maar om dat iemand zo snel mogelijk weer aan het werk gaat, om de uitkering te kunnen beëindigen. Mensen moeten werken. En als ze een baan fysiek, mentaal en qua niveau aankunnen, dan voldoet die baan. Ongeacht of de persoon zich daar totaal niet prettig in kan voelen. Dat telt niet mee voor de overheid.
Dit weet iedereen. En gek genoeg gaat de overgrote meerderheid hier ook in mee. Want het zit heel diep geworteld dat mensen gewoon moeten werken om te kunnen eten, drinken en wonen.
Uitkeringen zijn voor velen een laatste redmiddel voor (tijdelijk) zieken of werkelijk definitief medisch afgekeurde personen. En dan moet er ook geen enkele alternatieve mogelijkheid zijn om iets te kunnen doen. Wie in de ogen van veel mensen wel kan werken maar langere tijd een uitkering heeft wordt vaak gezien als profiteur. Puur onwil. Lui. Klaploper. Eigen schuld als die dakloos wordt. Had die maar gewoon moeten gaan werken.
Dit is nog steeds een algemeen geldende en geaccepteerde moraal onder mensen.
Ook al weten de instanties zelfs al beter dat dit heel anders kan zijn.

Er lijkt een kentering in zicht. Ook ‘bazen’ beginnen te beseffen dat ze een veel beter resultaat bereiken als ze een groep werknemers in dienst hebben die allemaal met plezier hun werk doen. Gewoon omdat ze het werk leuk vinden en niet alleen vanwege de (hoge) beloning of leuke extraatjes zoals een vrijdagmiddagborrel, 13e maand of extra en flexibele vrije dagen… Het werk moet leidend motiverend zijn. Wie daarin meegaat, functioneert het best.

Daarom zijn sociaal gerichte banen vaak zo dankbaar voor de medewerkers. Als ze direct zien dat hun werk positief effect heeft op de mensen die ze helpen. Of dit nu in de zorg, het onderwijs of (commerciële) serviceverlening is, dat doet er niet toe. Mensen echt helpen geeft veel werknemers vaak de juiste motivatie. Dat maakte mijn banen in de ICT-helpdesk meestal zo leuk. Ik voelde dat de meeste ‘klanten’ blij waren met in ieder geval mijn oprechte wens ze te willen helpen.

Toen de commercie nog niet zo leidend was, trof je ook in de meeste winkels nog wel personeel aan die het gewoon leuk vonden om hun producten te verkopen en je graag wilden helpen om de juiste keuze te maken, bijvoorbeeld in kledingwinkels is dat vaak best belangrijk. Toen het belangrijker werd dat het personeel altijd moest lachen en vooral komen met de standaard aangeleerde verkooppraatjes, werd het een stuk minder in de winkels. Altijd lachende barbiepoppen zonder enige kennis van wat ze verkopen, praten met de klant mee en verkopen zo op een commercieel slimme manier. Je denkt dat je goed en vriendelijk geholpen bent. Maar dat is allemaal schijn.
Ik prik daar meestal doorheen en in winkels waar dit soort personeel werkt, kom ik liever niet of wil in ieder geval niet geholpen worden. Dat is meestal toch al nooit nodig…
Maar deze commerciële trends hebben dus de eerlijke en goede verkoop van producten kapot gemaakt. Ik geloof wel dat dit zijn hoogtepunt heeft gehad en dat steeds meer mensen toch weer liever ‘echte’ mensen als personeel zien.
Want ook de ‘bazen’ zien wel dat een winkel echt toegevoegde waarde moet hebben, nu de online verkoop explosieve vormen heeft aangenomen.
Over bazen gesproken…

Conflicten met bazen en baasjes…

Van mezelf weet ik donders goed dat ik ook niet altijd een ‘makkelijk’ persoon ben. Als gevoelsmens reageer ik soms zoals ik me voel in bepaalde situaties en dat is niet altijd even fijn voor anderen. Natuurlijk heb ik me in mijn werk door de jaren heen steeds beter professioneel kunnen opstellen en zelfs als ik de meest negatieve ‘horken’ aan de lijn had, dan wist ik daar meestal wel een positieve draai aan te geven. Als ik iemand aan de lijn had die vrolijk was en grapjes wilde maken, dan lachte ik mee. Had ik boze briesende mensen aan de lijn die de computer liefst door het raam wilden gooien en ons (de ICT) overal de schuld van gaven, dan probeerde ik een stap terug te zetten en eerst het vertrouwen te winnen door mee te leven in de vreselijke ellende die de rot computer had veroorzaakt. Maar ik wilde ze wel helpen… Het lukte niet altijd maar wel vaak. Dit was mijn sterkste punt.
Met bazen lukte dit echter niet altijd, zeker als ik zag of voelde dat ze de situatie verkeerd beoordeelden en mij probeerden ‘laag’ weg te zetten of in ieder geval tot een andere houding te dwingen. Daar kon ik niet tegen.

Eigenlijk had ik op de middelbare school al een hekel aan autoritaire leraren. Die de klas (extreem) rustig hielden door simpelweg hardvochtigheid. Het is voor een leerkracht natuurlijk altijd belangrijk om de orde te kunnen bewaren omdat sommige klassen nu eenmaal snel ‘uit de band springen’ en wie geen autoriteit uitstraalt krijgt het voor zijn (of haar) kiezen. Maar dat kan je op een natuurlijke manier doen, door respect te kweken of door overdreven strengheid. Dat laatste vind ik niet goed.
Tijdens Militaire Dienst was dit vaak de overtreffende trap… Maar dan kan je het verwachten. Daar waren de meeste commandanten hardvochtig. Op enkele na die me soms opbeurend toespraken. Die wisten ook wel: het zijn dienstplichtigen die daar verplicht moeten zijn. Niet omdat ze het zo graag willen… Wie dat wel wil wordt wel beroeps. Ik had het daar erg moeilijk en bezocht regelmatig psychologen van het militaire hospitaal in Utrecht…

Toen ik ging werken bemerkte ik dat er dan ook veel chefs waren die er heel verschillend mee omgaan: autoriteit om de afdeling optimaal te laten functioneren. Op sommige niveaus wil het personeel nog wel eens de kantjes eraf lopen… Voortdurend kletsen met elkaar, tussendoor andere dingen doen die niks met werk te maken hadden, elk uur naar buiten om te roken… Ik heb van alles gezien. Daar hield ik niet van. Wat dat betreft was ik altijd serieus. Als er ruimte is kan en moet er zelfs gelegenheid zijn voor persoonlijke gesprekken (mensen zitten daar soms echt om verlegen) maar bewust niet al te hard werken kan ik niet. Als er werk ligt, ga ik daarmee door.
Toch had ik regelmatig conflicten met ‘bazen’. Omdat ze mijn (soms) negatieve houding niet wilden begrijpen en omdat ik sommige dingen ‘op mijn manier’ deed, terwijl daar afspraken over waren gemaakt. Bijvoorbeeld dat telefoontjes nooit langer mochten duren dan zeg maar een minuut of 5 (onder normale omstandigheden) en als ik er binnen die tijd niet uitkwam, moest volstaan met registratie van het probleem, waarna iemand anders (buiten de telefoongroep) ermee aan de slag zou gaan. Om een eventuele wachtrij te voorkomen. Maar dat deed ik niet altijd. Als ik zag dat ik de ‘klant’ wel kon helpen maar even verder door moest vragen of op nog andere plekken zoeken (de laatste jaren kon je het scherm van de klant overnemen) dan ging ik door. Met soms wel gesprekken van een kwartier tot gevolg. Dat mocht niet.
Ik was overigens niet de enige die dit wel eens deed. Meerderen waren het wel met me eens. Maar anderen volgden liever de baas om geen problemen te krijgen.
Dit is maar één voorbeeld van regelmatig terugkerende problemen waarmee ik te maken kreeg tijdens mijn hele loopbaan.
Ik was en ben van mening dat er binnen elke bedrijfsvoering meer wegen zijn die leiden naar Rome.
Maar vooral in de ICT werd door de jaren heen steeds meer volgens vastgelegde protocollen gewerkt en wie daarvan afweek, deugde eigenlijk niet voor zijn baan.
Met een chef probeerde ik daarom altijd ‘op gelijk niveau’ te overleggen dat ik zo en zo in elkaar steek en op mijn manier het beste functioneer. Dat werd niet altijd gewaardeerd.
Bazen hebben namelijk liefst alle neuzen dezelfde kant op en willen in vergaderingen zeker geen kritiek horen, waar de hele groep bij zit. Dat raakt ze in hun ziel en dan zullen ze er alles aan doen om je te dwingen naar hun pijpen te dansen of anders te vertrekken.
Daar heb ik nooit aan kunnen toegeven. Dit soort autoriteit accepteer ik niet. Van niemand. Nooit.

Naar mijn mening heeft een (afdelings-, groeps-) chef een coördinerende taak, voornamelijk gericht op het monitoren van de werkzaamheden; of alles goed gaat en bepaalde problemen aangepakt worden. Hij/zij is de woordvoerder van de afdeling en praat met andere ‘bazen’ als dit nodig is, wat meestal zo was in het soort bedrijven waar ik heb gewerkt en de ICT ‘slechts’ een afdeling was binnen het grote geheel. Een chef vertaalt de bedrijfscultuur naar een werkbare situatie op de afdeling. Als die geschikte medewerkers heeft aangetrokken, moet het altijd mogelijk zijn om min of meer op één niveau met elkaar te kunnen praten en een chef moet niet op een duidelijk voelbare verhoging gaan staan. Dat motiveert personeel meestal niet.

In alle gewerkte jaren heb ik ‘goede’ en ‘slechte’ chefs meegemaakt. Van mijn eigen groep, afdeling maar ook chefs aan het hoofd van de hele ICT of personeelszaken.
Als chefs geen begrip konden of wilden opbrengen voor de individuele medewerkers, waren ze meestal slecht. Dat overheerste in mijn geval helaas wel.
Ik noem 1 voorbeeld van een goede groepschef:
Het was in een tijd van grote veranderingen binnen het Albert Schweitzer Ziekenhuis. Alles moest overal efficiënter en professioneler en er zat een grote verhuizing aan te komen naar één centrale locatie van de hele ICT. Mogelijk stond mijn groepschef onder druk.
Maar ik had een keer kritiek geuit over de gang van zaken op de Helpdesk, waardoor wij ook steeds vaker onder druk stonden en fout werden beoordeeld als er weer eens grote wachtrijen ontstonden, wat hij kon zien op de grote monitor aan de muur. Wij als medewerkers waren daar in zijn ogen altijd schuldig aan. Dat bestreed ik en ging klagen. Dat accepteerde hij niet. En toen ik aangaf toch te blijven werken zoals ik dat het beste kan, schoot hij uit zijn slof en briesend riep hij me in de wandelgangen dat “ik daar niet lang meer zou werken!”
We hebben dat even laten rusten en een paar dagen later deed hij weer net alsof er niets was gebeurd. Ik begreep dat hij vermoedelijk onder druk stond en hij begreep dat ik gewoon mijn best deed. Later hebben we nog vele fijne gesprekken gevoerd en hij was degene die me bij het Planbureau introduceerde.
Hij was eigenlijk net als ik een gevoelsmens. Soms schoot hij ook wel eens door maar stond uiteindelijk altijd achter en naast zijn medewerkers! Nooit erboven. Dat sierde hem.
Helaas is hij niet oud geworden want hij overleed ergens achter in de 50 plotseling aan een hartinfarct. Met de opvolgers is het nooit meer zo fijn geweest.

Werken in de ‘nieuwe tijd’

Nu ik al een poosje zelf niet meer werk, heb ik alle tijd om (nog) beter om me heen te kijken wat er allemaal gebeurt in de wereld. Op het gebied van opleidingen en ‘carrière-planning’.
Jongeren groeien tegenwoordig toch steeds meer op met de ingegeven wijsheid dat ze het beste zoeken naar werk wat ze leuk vinden en goed bij hen past. Dat is mooi! Dat was tijdens mijn jeugd nog niet zo. Maar helaas valt dit in de praktijk nog vies tegen. Want daar geldt nog de oude norm: Iedereen moet werken. En als jouw ‘ideale’ baantje niet beschikbaar is, moet je accepteren wat er wel is. Niets veranderd dus.
Maar toch vinden veel mensen die serieus over de toekomst nadenken en ook de hedendaagse problemen zien, dat er wezenlijk dingen moeten veranderen.
Te beginnen in het onderwijs; de bakermat voor alle latere werknemers.
Onderwijs moet veel meer aansluiten op de talenten van het individu. Het moet niet alleen meer gaan om de cijfers, het goede (algemeen) behaalde niveau maar vooral om het ontdekken en ontwikkelen van de individuele talenten. Als die worden benut zal elke werknemer zich beter gaan voelen en sneller weten wat die het beste kan en (mogelijk) ook graag wil.

Ik heb verkeerde keuzes gemaakt in mijn leven. ‘Het geheim van…’ Ik heb er veel over geschreven.
Maar ik volgde eigenlijk nooit mijn hart. Anders was ik wel bij die platenzaak gaan werken en had ik misschien een heel andere loopbaan ontwikkeld, aansluitend op mijn wensen en mogelijkheden. Nu volgde ik de externe verwachtingen. Die me uiteindelijk best wel in een richting hebben gebracht waarin ik kon (en wilde!) functioneren – ICT serviceverlening – maar het was nooit echt ‘leuk’. Het was een noodzakelijk kwaad. Want zoals ik al eerder schreef: ik wilde naast dat noodzakelijke werk ook gewoon leuke dingen doen. Radio, fotografie, betaalde seks (…) en gewoon zonder geldzorgen en schulden moeten leven. Dus bek houden en werken.
En dat doet nog steeds bijna iedereen. Deze tijd is echter bijna voorbij. Vooral voor de meeste ‘rijkere’ landen.

De hedendaagse werknemer is heel anders dan die van 100 jaar geleden. Toen was er gewoon niet veel méér in het leven. Mensen werkten, deden (soms) aan sport, zorgden voor hun gezin en ontmoetten elkaar in en rond kerk of kroeg. Maar dat was het. Nog geen televisie, internet, smartphones… etc.
Dit alles is in de laatste decennia van de vorige eeuw helemaal veranderd. En dat heb ik van jongs af aan meegemaakt.
Er kwam steeds meer en beter mooi speelgoed op de markt, televisie kwam en de opkomst van internet en alle massamedia waar de hedendaagse jeugd als vanzelf al in opgroeit. Dit zijn echt zeer grote verschillen die het referentiekader van mensen blijvend hebben veranderd.
Daarbij zijn heel veel werkzaamheden door verdergaande automatisering en slimme fabricage overbodig geworden. Werkte er vroeger een leger monteurs in een autofabriek; nu wordt het meeste door machines en robots gedaan.
Boog mijn opa nog alle betonijzer handmatig als ijzervlechter (daarom was hij zo sterk!); nu komt alles voorbewerkt uit de fabriek en hoeft het alleen maar door machines ‘opgehangen’ te worden. Er komt geen spierkracht meer aan te pas.
Werden vroeger de groenten allemaal handmatig geplukt op het land door tientallen (vaak) vrouwen (zoals mijn oma); nu rijden speciale plukmachines in enkele uren over het land.
Winkels raken uit de gratie omdat iedereen het makkelijk thuis kan bestellen via internet.
Terwijl de wereldbevolking gestaag blijft doorgroeien, is het aantal nog echt nuttige banen sterk gedaald en blijft nog steeds dalen.
Waarom moet toch iedereen nog werken? Als er straks gewoon geen zinnige baan meer is te vinden voor veel mensen?
Wel zie ik veel meer kansen vergeleken met nu in de serviceverlening. In de breedste zin van het woord. Want die is juist in de nieuwe (meer technologische) maatschappij achteruit gehold.
Veel mensen met iets minder affiniteit voor automatisering (zowel op telefoons als op computers) of gewoon een gebrek aan communicatievaardigheden hebben moeite hun weg te vinden als er problemen zijn. Van welke aard dan ook. Met instanties, storingen thuis en wat dan ook.
We worden allemaal geacht onze weg te kunnen vinden nu alles zo ‘netjes’ overal op internet staat maar de praktijk leert dat niet iedereen dit kan of wil. Zelfs jonge mensen lopen tegen problemen aan omdat ze niet zo handig zijn in het vinden van de juiste informatie op de media waar een overdosis aan informatie is te vinden.
Ik blijf goede persoonlijke hulp ten alle tijde essentieel vinden, zeker in de huidige complexe maatschappij. Daarin zou veel meer geïnvesteerd moeten worden.
Ook ik loop telkens tegen betonnen muren van ondoordringbare communicatie aan. Van mijn eigen bank, zorgverzekeraar, diverse andere instanties en simpelweg consumentenservice van alle verkopers. Er is in heel veel gevallen GEEN contact mogelijk.
Tenzij je bereid bent om veel te betalen aan eindeloze en vaak onzinnige telefoongesprekken met mensen die je niet (goed) helpen maar verder het bos in sturen. Ik heb alles meegemaakt. En ik weiger nog te bellen als me dat geld kost.
Heel misschien gaat dit in de nabije toekomst voor mij wel veranderen omdat de kosten van ‘onbeperkt bellen’ bundels steeds goedkoper worden. Maar dan moet je nog steeds mondig genoeg zijn om de juiste informatie te pakken zien te krijgen. Ik ben dat. Maar velen kunnen dat niet en blijven jarenlang in de problemen zitten met soms desastreuze gevolgen.

Met de complexe maatschappij aan de ene kant, de toenemende wereldbevolking die daarin woont en de vele opstapelende problemen die voorlopig niet opgelost kunnen worden aan de andere kant, moeten juist nu mensen elkaar helpen. Meer helpen. Beter helpen. Helaas begrijpt de politiek hier nog helemaal niets van en verandert er vooralsnog helemaal niets.

De verzorgingsstaat is mislukt (?)

Er was een tijd dat niet de economie van een land de hoogste prioriteit had, maar simpelweg de bevolking. Het gaat per slot van rekening om het welzijn van alle mensen. Dat is belangrijk. Dat iedereen voldoende kan eten en drinken, een dak boven zijn hoofd heeft, geschikt onderwijs kan krijgen en… werk heeft. Eerlijke, gelijke kansen. Voor alle lagen van de bevolking.
De overheid moest ervoor proberen te zorgen dat dit bereikt kan worden. Men noemde dat de ‘verzorgingsstaat’. Een nobel streven wat in een aantal landen veel moois heeft gebracht.
In Nederland kwam dit eigenlijk pas goed op gang na de Tweede Wereldoorlog.
Het besef was wel gegroeid dat grote onvrede in een land tot extreme gevolgen kan leiden.
In Duitsland was de inflatie torenhoog, de werkloosheid groeide en mensen hadden weinig toekomstperspectief waardoor het nazisme vaste grond onder de voeten kon krijgen.
(Weinig mensen geloven dat dit in deze tijd niet weer het geval zou kunnen zijn… Maar dat is even een ander verhaal.)
Arbeiders hadden al eerder van zich laten horen en eisten betere werkomstandigheden en meer zekerheden. Uitkeringen werden een recht en er werden door het op dat moment populaire socialisme (want na de oorlog wilde iedereen elkaar helpen!) gouden bergen beloofd om iedereen een menswaardig bestaan te garanderen, van de wieg tot het graf. De verzorgingsstaat.
Ze hebben zich echter verrekend want met het groeien van de bevolking, waarvan de levensverwachting door betere zorg en een beter leven steeds hoger werd en door een steeds verder doorgevoerde automatisering waardoor veel ‘handjeswerk’ verdween, werd die zorg voor uitkeringen, pensioenen en andere sociale voorzieningen onbetaalbaar. De schulden van het land namen almaar toe. Het moest weer anders. De verzorgingsstaat werd losgelaten.
Niet dat de uitkeringen verdwenen maar alle werknemers moesten langzaam maar zeker steeds meer zelf gaan betalen (min of meer sparen) voor uitkeringen, pensioenen en (medische) zorg.
En de verantwoordelijkheden verschoven van de overheid naar de lokale besturen.
We leven nu al enkele decennia in een ‘participatiestaat’. Althans dat is het streven.

2013 – Troonrede gesproken door koning Willem-Alexander:
“Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.” Bron: Wikipedia.

Op diezelfde pagina van Wikipedia is ook de nodige kritiek op deze ontwikkeling te lezen, die ik van harte deel. Omdat ik zelf dus zo iemand ben die ‘tussen wal en schip’ is gevallen. “De armlastigen, chronisch zieken, degenen die geen netwerk hebben of nauwelijks familie…”
Ik zou dit zelf geschreven kunnen hebben. Voor veel mensen wordt minder en minder tot helemaal niets meer geregeld. “Zoek het zelf maar uit.”

Dit heeft gevolgen op alle vlakken in de maatschappij. Ook op het gebied van werk.
Mensen worden steeds meer ontevreden, vooral jongeren zien geen of weinig perspectief (mijn eigen zoon van nu 22 voelt dat ook) en veel ouderen met problemen zien zich in de steek gelaten en zelfs als ze nog redelijk gezond zijn, verlangen ze soms naar een snelle dood…

Wie nu volop middenin de ‘molen’ zit, die draait en waar ‘goed’ geld op de plank komt, ziet dit niet. Dit is dan ook die meerderheid die nu al jaren op voornamelijk de VVD stemt. Voor de betere middenklasse (modaal of meer) gaat alles goed. Want daar is alles voor geregeld.
Juist de zwakkeren vallen steeds meer buiten de boot. En dat zijn ook jongeren met minder kansen op de arbeidsmarkt, die geen dak boven hun hoofd meer kunnen vinden door de wooncrisis.
De kwaliteit van het onderwijs sluit niet goed meer aan bij de moderne maatschappij.
De zorg staat blijvend onder druk vanwege de jarenlang doorgevoerde bezuinigingen. Dat heeft de coronacrisis volgens mij toch wel bewezen.
En veel banen zijn allang niet meer de beoogde banen waar veel mensen ‘met hart’ voor kunnen en willen gaan. Alles draait om geld. De commerciële molens (ook in de zorg en zogenaamd vroeger in de ‘non-profit’ sectoren) moeten blijven draaien anders valt het kaartenhuis gebouwd op een afbrokkelend fundament van kapitaal in elkaar.
En daar kunnen we gewoon op wachten…

Werken – Omdat het kan en mag!

Het zal een gigantische cultuuromslag worden maar ik denk dat we langzaam maar zeker die kant op moeten. Het oude (economische) systeem is zeker op langere termijn onhoudbaar.
Met een gestaag doorgroeiende wereldbevolking en nog steeds toenemende automatisering en de inzet van ‘echte’ robots die zwaar en onaangenaam werk kunnen overnemen, zal het aantal banen in de wereld niet toenemen maar steeds verder afnemen.
Met de ook steeds meer toenemende mogelijkheden voor mensen om zichzelf op andere manieren bezig te houden, hetzij creatief, recreatief of puur op basis van (vrijwillig) humanitaire bedoelingen (mensen helpen zonder verdere verplichtingen), is de noodzaak om echt iedereen aan een (zinvolle!) baan te helpen steeds minder aanwezig.
Misschien heeft vrijwilligerswerk wel de toekomst! Omdat het vrijblijvend is en er geen belangen zijn voor (financiële) bedrijfsvoeringen.
Met het basisinkomen wordt al in meerdere landen geëxperimenteerd. Dit steekt veel mensen omdat die het ten eerste oneerlijk vinden (een onvoorwaardelijk inkomen zonder daar iets voor te hoeven doen) en ten tweede onbetaalbaar. Maar beide argumenten zijn onjuist.
Voor dit toch al grote artikel voert het nu te ver om daar weer dieper op in te gaan.
Maar in een maatschappij waarin geld toch nog steeds noodzakelijk blijft, is dit de eerste stap in de goede richting. En mensen die wel werken hebben daarmee veel en veel meer ruimte om ‘leuke’ dingen te doen zoals vakanties en aanschaf van dure gebruiksgoederen.
Maar het geeft ongelooflijk veel ‘lucht’ aan de mensen die gewoon niet weten wat ze kunnen of willen gaan doen en om zodoende niet gestoord door sollicitatieplicht hun eigen persoonlijkheid en talenten te ontwikkelen. Voor mij zou het achteraf gezien een uitkomst zijn geweest.

Het stigma wat op werklozen rust moet verdwijnen. Niet iedereen kan (nog) werken. Of dit nu door fysieke, mentale of andere beperkingen is, of door gebrek aan zelfkennis… Of door een absolute aversie tegen de consumptiemaatschappij en de wens daarin zelf op een creatieve manier te willen leven. Ook dit moet gewoon kunnen.
En voor wie echt wil werken zal daar goede gerichte hulp voor moeten blijven bestaan.
Een soort ‘Arbeidsbureau’ moet weer terugkeren. Noodzakelijk en dankbaar werk.
Ik denk dat de huidige ‘Sociale Diensten’ en ‘Werkpleinen’ prima hiervoor hervormd kunnen worden. Zonder de druk om iedereen op zo kort mogelijke termijn aan werk te moeten helpen.

Wil de politiek de toekomst niet (weer) zien instorten in onvermijdelijke extreme crises zoals voor de Tweede Wereldoorlog het geval was? Bedenk dan goed hoe je mensen echt kunt motiveren.
Alle mensen! Niet alleen je eigen aanhang. Dat is de grote fout die regeringen de laatste decennia maken.

Dit bericht is geplaatst in Column, Cultuurfilosofie, Persoonlijk met de tags , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

1 Reactie naar Werken – Omdat het moet

  1. Pingback: Restflits zaterdag 26 juni 2021 – Mega editie! | De Rest van het Avontuur

Geef een reactie